Brief aan mijn schoonvader

Willy,

Twee weken geleden gingen we op maandagavond nietsvermoedend slapen. Ik herinner me de avond nog alsof het gisteren was. Jonas was moe, en wou dolgraag slapen, terwijl ik meedeed aan blogpraat op Twitter. Hij snauwde me ’s avonds in bed toe dat ‘ik mijn blog toch interessanter vond dan mijn vriendje.’ Toen ik dat hoorde was ik niet zo blij, maar ik ging toch slapen. Het was de avond ervoor laat geweest, en misschien was hij wel gewoon kapot. ’s Nachts schoot ik wakker, iets had liggen trillen, en mijn reactie was kaarsrecht in bed gaan zitten. Jonas vroeg: “wat is er mis met u?” Waarop ik “niets” antwoordde, en weer ging liggen. Jonas ging naar toilet. Dacht ik.
Toen hij terug de kamer inkwam, lag ik alweer half te slapen. Hij zei: “wil jij mij naar het OLV brengen?” “Wat is er mis met je?” vroeg ik. “Met mij niets, maar Willy heeft iets gekregen en hij had bijna geen hartslag meer.” Willy, ik kan je zeggen, ik stond snel naast mijn bed met mijn kleren en droogshampoo in mijn haar! Jonas mocht van mij niet rijden, want die zou zich doodrijden. De rest van de nacht hebben Jonas, Andrea en ik vooral zitten wachten op nieuws. Je kan je voorstellen dat we niet echt helder konden denken. Uiteindelijk mochten we tegen 4 uur toch op bezoek bij je (om 24u hadden we dat telefoontje gekregen). Wat we daar zagen liggen.. Het was niet jij, het was een lichaam.. Na twee ellendige weken is je situatie niet geheel veel beter geworden. Het is te zeggen: sinds kort ben je wakker (hopen dat het zo blijft!) maar je bent agressief, en je hebt een longontsteking en een bijkomende besmettelijke infectie. Na twee weken lig je nog steeds op intensieve zorgen.

Sinds dit weekend heb ik het verlangen om je een brief te schrijven. Geen idee waarom, maar opeens moest ik terugdenken aan de eerste keer dat ik je zag, en wou ik het graag neerpennen. Ik ben er zeker van dat jij ook nog weet wanneer we elkaar voor het eerst zagen.
Jullie waren allemaal naar de mis geweest, en ik kwam afgefietst. Het was zomer in 2007, en het was een mooie zomeravond. Toen we thuiskwamen, hadden Andrea en jij meteen het idee om met Jonas en ik iets te gaan drinken in Vlassenbroek. Vlassenbroek, een mooi klein gezellig dorpje aan de Schelde met heel veel terrasjes. Het bijzondere was dat we niet met de auto reden, nee, we reden met de fiets. Want jullie rijden niet met de auto, jullie hebben zelfs geen auto. Het was een heel fijne avond toen, en jullie stonden erop dat Jonas ’s nachts met mij mee naar huis fietste. Ook al was dat toch een flink eind van waar jullie wonen. Wat jullie niet weten is dat ik halverwege tegen Jonas zei dat ik het wel alleen aan kon. We hadden zo een mooie avond samen. Lekker ijs gegeten, lekkere drankjes gedronken, een avond om nooit meer te vergeten.
In die bijna acht jaar dat we elkaar kennen, hebben we al heel wat mooie momenten meegemaakt. Zonder het echt te beseffen ben ik een deel van de familie geworden, ik merk het nu ook. Ik voel me niet echt een schoondochter, nee, ik voel me meer een dochter van je, zonder dat ik Joria haar plaats wil innemen. Ik kan tegen jou mijn gedacht zeggen, en omgekeerd kan het ook. Ook al verschillen we soms van mening, we hebben respect voor die van elkaar. En ik weet dat ik je niets te veel kan vragen.
Je hebt ons zo ongelooflijk hard laten schrikken twee weken geleden, en geloof me vrij: hier gaat nog heel wat tijd overgaan eer het bij iedereen min of meer verwerkt is. Ik hoop dat je 1 ding beseft: je hebt een geweldige familie die enorm om je geeft! Je kinderen, kleinkinderen, broers, zussen, … allemaal zijn ze bezorgd om je.
Ik weet dat je gisteren niet geloofde dat alles goedkomt met je, maar ik geloof erin. Voor je het weet sta je weer te huppelen in je tuin, en weet je weer niet wat eerst gedaan. Want, de beesten moeten eten krijgen, en de haag moet af. En eigenlijk zou het gras ook nog eens afgereden moeten worden. En wanneer zou je dan de tuin omspitten? Ik geloof in je kunnen!
Willy, ik wil echt niet dat je opgeeft. Niet nu. Er wachten nog zoveel mooie dingen die je moet meemaken in het leven. De doop van Anya, de bouw van ons huis, de afwerking van het huis van Dominiek, de communies van Yana en Anya, misschien een kindje van Jonas en mij, misschien een vrouw bij je andere zonen, …
Vecht! Ik kruis mijn vingers voor je, en hoop oprecht dat je niet opgeeft.
Veel schoondochterliefde,
Nicky

Illustraties door Jonas http://goldenframes.net

#WijOverdrijvenNiet

Het begon allemaal met de eerste column: Mijn naam is niet “hey sexy”.  Later volgde nog een verhaal over hoe de publiciteit kwam, en een bedanking voor de reacties die ze kreeg. Eergisteren postte ze nog een nieuwe column omdat ze reacties kreeg dat ze overdreef. Of nee, dat vrouwen in het algemeen overdrijven over de aandacht die ze krijgen. Daarom wordt er opgeroepen dat iedere vrouw, jong of oud, even haar verhaal vertelt over wat zij al meegemaakt heeft op dat vlak. Ik kan je vertellen: er zijn vrouwen bij die exact weten hoe oud ze waren, maar ik ben niet zo aangelegd.

  • Een man vraagt me aan de bushalte hoe oud ik ben en wilt mijn gsm-nummer hebben. De aanleiding? Geen. Ik was toen nog een puber, en ik denk niet dat ik toen net zo vriendelijk tegen mensen deed als ik nu doe (ik probeer altijd op een of andere manier goedendag te ‘zeggen’). De man hield maar niet op, en uiteindelijk ben ik weggegaan.
  • Als ik me verplaats van plaats a naar plaats b, en ik draag iets mooi, dan krijg ik gegarandeerd reacties van bouwvakkers, of van andere mensen die het blijkbaar nodig vinden om me na te roepen.
  • Ben je ergens als vrouw alleen ergens aan een toog iets aan het drinken, dan probeert er altijd wel minstens een man om te weten te komen of ik vrij ben of niet.
  • Een man wordt toegestaan geregeld een knipoog te mogen geven om een grapje meer kracht te geven. Doet een vrouw dit naar een man toe, dan wordt ze vaak al scheef bekeken.
  • Als ik alleen wegga, en ik moet met de fiets alleen naar huis rijden in het midden van de nacht, dan voel ik me zo onveilig. Ik weet niet wat ik verwacht, maar graag zit ik niet op die fiets op dat ogenblik.
  • En wat ik soms ook een aanslag voel op mij: mannen die per se moeten tonen aan de kassa dat ze genoeg spieren hebben om mijn werk voor hen te doen. Ik ben jong en ik weet dat mijn lengte in mijn nadeel spreekt, maar een bak bier kan ik tot op heden echt wel zelf versleuren, en anders zal ik het wel vragen om me te helpen.
  • ….
Deze column is er niet om aan te tonen dat mannen per se slecht zijn, of dat wij dagelijks lastiggevallen worden als vrouw. Nee, we worden lastiggevallen, en we zijn het beu. Of het nu dagelijks is, of maar 1 keer per jaar.. En we willen aantonen dat we niet overdrijven. En dat iedereen, vrouw of man, kortgerokt of langgerokt, recht heeft op het verkrijgen van respect!
Werd jij ooit lastiggevallen? Op welke manier?

Doorgemaakt: oorontsteking en geperforeerd trommelvlies

Zoals jullie in mijn eerste verslagen van #40DagenVasten konden lezen ben ik op Aswoensdag verkouden wakker geworden. De eerstvolgende vrijdag had ik oorpijn, en toen is het eigenlijk bergaf gegaan met mijn oor.
Wil je weten wat er gebeurd is? Klik dan op “Lees meer..”

Hoewel ik me al minder verkouden voelde, merkte ik dat de oorpijn op zaterdag niet beter werd. Toen ik op zondag wakker werd, merkte ik dat er ‘iets’ uit mijn oor gedrupt was. Na wat Google’en bleek dit een ‘loopoor’ te heten. Omdat ik me niet op en top voelde, en het met mijn oor te maken had, en ik bovendien inmiddels doof was aan die kant, besloot ik op zondag een afspraak te maken met mijn huisarts. Ik had de week die kwam wel een week vrij, maar ik wou ook geen risico’s nemen. Ik ken mijn eigen historiek: als jonge uk had ik regelmatig oorontstekingen.

De nacht van zondag op maandag kon ik niet slapen. Hoe moest ik me leggen? Waarom deed dat oor zo’n zeer? En ik kan je vertellen: als je ligt, neemt de druk toe op je oor. Niet leuk!
De dokter keek in mijn oor, mijn neus, mijn keel, en zei “je hebt een gesprongen trommelvlies”. Hij schreef me antibiotica voor, en ik moest viermaal daags in mijn oor druppelen. Hiep hoi!

Maandagavond was de pijn killing. Je kan het je echt niet voorstellen hoe zoiets zoveel zeer kan doen. Ik wist ook wel dat ik nog geen wonderen mocht verwachten van de medicatie die ik gebruikte, dus ik probeerde het uit te houden. Zo ook dinsdag. Maar omdat dat echt niet ging zonder pijnstilling, belde ik naar de huisarts. Ik kwam terecht bij het telesecretariaat. De vriendelijke dame ging mijn vraag doorgeven aan de dokter, en hij zou me wel weer contacteren.. Niet dat hij dat die avond nog deed. Op eigen houtje heb ik dan besloten toch pijnstilling te nemen, zodat ik wat kon slapen…

Dat slapen was gelukt, en de volgende ochtend had ik een voicemailbericht van de huisarts. “Natuurlijk mag je een pijnstiller nemen. Als er nog problemen zijn, dan hoor ik het wel.” Wel. Het was nog steeds niet over, en mijn week vrij, daar kwam ook wel al eens een einde aan. Ik wist niet wat ik moest doen. Moest ik afwachten tot zaterdag, en dan beslissen of ik maandag naar de huisarts zou gaan of niet, of zou ik een controleafspraak maken op vrijdagavond? Inmiddels had ik zovéél bijwerkingen van die medicatie. Ik liep misselijk rond, kleur had ik amper op mijn gezicht.
Na wat getwijfel en overleg thuis, besloot ik dus om op vrijdagavond een afspraak te maken. Ik kon om 17u15 terecht bij de dokter.

Vrijdagavond was het dan zover. De pijn was nog niet echt beter, het loopoor ook niet. Wat was er toch aan de hand? Ik vroeg de dokter even te kijken naar mijn oor. Wat die man allemaal geprobeerd heeft! Eerst keek hij gewoon, zoals hij maandag deed. Vervolgens haalde hij wattenstaafjes tevoorschijn. Nee, dat leek ook niet te werken. Vervolgens vroeg hij mij mee te komen, en met warm water spoelde hij mijn oor zachtjes uit. Hij begon er weer in te turen. Ik was het stilletjesaan wel beu, wat was die man toch allemaal aan het uitrichten? Ik vroeg: “Dokter, vind je iets?” Waarop hij antwoordde: “Wel, ik zie enkel etter, en ik krijg het niet weg. Ik ga je doorverwijzen naar een oorarts. Ben je deze avond nog vrij?” Waarop hij zijn telefoon nam, en begon te bellen.

Ik kon terecht in het ziekenhuis in Lokeren, de arts was op de hoogte. Met een brief van de huisarts in de aanslag, en een telefoontje naar huis om me naar daar te brengen (ik moest opletten met die antibiotica en autorijden..), gingen mijn mama en ik op pad. Na wat we afgelopen zomer meemaakten met zus, kan je je wel voorstellen dat dit nare herinneringen naar boven bracht. Maar ik zei:”het is maar een onderzoek, ik zal wel weer naar huis komen!”. Deels om ook mezelf gerust te stellen.

De arts stond ons al op te wachten toen we toekwamen. Hij stelde enkele vragen: “Links of rechts? Regelmatig last van oorontstekingen?” En hij begon zijn onderzoek. Hij moest hetzelfde vaststellen als de huisarts, maar de oorarts kon wel de etter wegzuigen. Nu moet ik je zeggen: ik weet niet wat het meest ambetante is: bij de tandarts gaan of bij de oorarts gaan..Hij raakte even mijn trommelvlies, maar hij maakte het wel proper, alle etter voor mijn trommelvlies zoog hij weg. Volgens mama kwam er aardig wat uit dat kleine oor van me. Natuurlijk ja, ik liep al een week met pijn rond!

De oorarts vertelde me dat ik een gaatje ter grootte van een speldenkop had. Dat is als je dat beziet over heel je lijf, vrij klein, maar ik vind dat toch redelijk groot voor mijn kleine trommelvlies. Het zou vanzelf moeten dichtgaan. Ik heb nieuwe oordruppels gekregen, sterkere, de antibiotica moest ik verder uitnemen (eens een kuur gestart, altijd uitnemen, of je wordt sneller resistent!) en werken mocht ik ook niet. Niet omdat ik het niet zou aankunnen, maar omwille van de hygiëne. Ik werk in een winkel, en zelf zou ik het ook niet aangenaam vinden om bij iemand met een loopoor aan de kassa gaan staan, of informatie te vragen. Mijn haar wassen mag ik enkel wanneer ik een watje met vaseline in mijn oor zitten heb. Niet enkel een watje, want dat absorbeert water, maar ook vaseline, zodat het waterdicht is.

Zaterdagavond ging ik slapen met de gedachte: “het voelt op dit ogenblik weer hetzelfde aan als vorige week zaterdag, hopelijk gaat het nu wel de goede kant op.” Zondag heb ik mijn haar gewassen, maar wat een gedoe met een watje en vaseline! Vriendlief had ik gevraagd naar de moestuin te gaan, maar ik wou toch ook een uitstapje maken, ik had immers geen verbod gekregen om buiten te gaan, en vriendlief is zo lief voor me. Helaas kon mijn oor het niet aan, en gingen we weer naar huis, terwijl mijn oor pijn deed. Genezen was het toen nog niet, maar ergens was dat te verwachten ook. Een specialist zou me anders geen ziektebriefje geschreven hebben en gezegd hebben dat ik echt niet mocht werken!

In de nacht van zondag op maandag kreeg me nu toch jeuk! Verschrikkelijk. Daar ik eerst niet meer kon slapen van de pijn (de week ervoor), kon ik nu niet meer slapen van de jeuk. En ik wist: van zodra ik eraan kwam zou het enkel maar erger worden. Zelfbeheersing werd bij deze getraind!

Op maandag was de jeuk nog steeds verschrikkelijk. En wat begon mijn oor na de middag toch enorm plakkerig aan te voelen. Ik zag het als een goed teken. Plakkerig betekent niet droog. Maar het drupte ook niet meer uit mijn oor, zoals de week ervoor. En wat nog beter was: ik kon rondstappen zonder verschrikkelijke oorpijn te hebben. Ging ik vorige week nog op bed liggen van miserie, dan kon ik nu toch in de zetel blijven zitten. Tot mijn oudste neefje toekwam. Die kan nogal lawaai maken. Daar kreeg ik hoofdpijn van, en ik voelde me gelijk duizelig.

Dinsdag leek de hoofdpijn in eerste instantie over te zijn, tot ik wat ging doen. Daar was het terug! Maar toch, het ging nog wel meevallen, misschien kon ik er al over denken om een dag eerder terug te keren naar het werk? Indien ze nog uren nodig hadden tenminste. Woensdag zou ik ervoor informeren..

Tot ik woensdag opstond. Mijn oor kraakte iedere keer ik slikte, en de hoofdpijn was ook niet beter. In de middag besloot ik dan toch een bezoek te brengen aan de oorarts of de huisarts. Diegene van de twee waar ik het snelste bij terecht kon. Toen ik ook nog merkte dat lawaai in de supermarkt en de frigotemperaturen niet aangenaam waren, vond ik dat ik de goede keuze gemaakt had.

De huisarts wist meteen welk gevoel ik beschreef. Hij onderzocht me en zei toen: “uw oor geneest goed, maar uw buis van Eustachius zit verstopt. Het zal raar klinken, maar ik ga u een neusspray voorschrijven, en dan gaan je klachten beteren. Het enige wat nu nog fout kan lopen, is dat je trommelvlies niet vanzelf dichtgroeit, maar dat kan chirurgisch opgelost worden”. En dus verliet ik het dokterscabinet met bijna een tienbeurtenkaart, want ik had hem in anderhalve week drie keer opgezocht, en 1 keer was ik bij de oorarts geweest.

Eind goed, al goed? Dat zullen we binnen twee weken weten!

Update: na controle bij de arts, bleek mijn trommelvlies netjes genezen te zijn! Oef!

Een onverwachte ontmoeting.

Daar stond ik dan. Te wachten tot de klant voorbij was, zodat ik je kon aanspreken. Want ik kende je vanop de beurs die je georganiseerd had. Tok tok. Een andere klant die me vroeg waar ze ‘iets’ kon vinden. Omdat ze het niet ging vinden zonder dat ik meeging, liep ik even mee, met de kans jou te ontlopen. Toen ik terugkwam was dat ook effectief gebeurd. Wat zonde. Maar, misschien had jij mij toch niet gezien? Ik ging maar vlug verder aan het werk, want we hadden geen tijd om te lanterfanten.

En plots, kwam je nog eens voorbij. Ook al was het druk, ik riep: “Vind je iets niet, het is al de tweede keer dat je voorbijloopt?” naar je toe. Als bij wonder draaide je je om en zei je: “Eigenlijk zoek ik iets ja.” Waarop ik vroeg wat. Je zei dat je twee dingen zocht, maar dat je misschien wel expres nog eens wou rondlopen zodat je me opnieuw zou zien. Wat voelde ik me meteen gevleid, en toonde ik je het eerste product in je zoektocht. Waarbij ik al lachend zei: “als je er klaar voor bent, dan roep je me maar, dan toon ik je het andere product dat je zoekt”. Jij raakte per ongeluk mijn hand bij het overnemen van het product.

Ik ging weer verder werken, want zoals vijf minuten ervoor had ik nog steeds geen tijd om te lanterfanten. En je kwam alweer op zoek naar een product! Ik toonde het je, en liet je verder met rust.. Toen ik zag dat je er vijf minuten later nog stond, en je precies twijfelde vroeg ik of je ik je nogmaals kon helpen. Klanten helpen hoort immers bij mijn dagtaak, en dat is ook wat ik het liefste doe. Je zei dat je aan het rekenen was hoeveel je nodig had om brownies te bakken. Waarop ik je antwoordde dat ik wel wilde helpen rekenen en dat ik een rekenmachine op zak had. Jij zei dat het je wel zou lukken als je niet steeds gestoord werd door mij. Waarop ik me verontschuldigde en zei dat ik snel ging verder werken. Je leek aan te voelen dat ik wat op mijn tenen getrapt was en zei meteen: “maar dat bedoelde ik zeker niet negatief. Dat was positief bedoeld!” Maar in mijn ogen was het kwaad geschied. Ik werkte verder. Tot ik eraan dacht dat ik je ooit in een ver verleden een vriendschapsverzoek had gestuurd. Ik wou weten hoe het daarmee was. Jij zei:”dat zou ik me toch wel herinneren, mag ik je naam?” Waarop ik mijn naam gaf. Toen ik je vertelde dat het je kunstpagina was, zei je “maar van waar ken je me?”, waarop ik moest toegeven dat ik je ken via mijn vriendlief.

Het moet gezegd: ik hoop dat je niet tegen iedere onbekende vrouw zo doet, want ik voelde me wel gevleid ook al ben ik gelukkig met vriendlief. Het wilt niet zeggen omdat een vrouw gelukkig is in haar relatie, dat ze immuun wordt voor andere mannen in de omgeving.

De zomer die alles veranderde..

Ik heb maandenlang getwijfeld of ik dit wel zou posten. De ene dag dacht ik: “nee, dat gaat alles bovenhalen.” De andere dag dacht ik: “misschien is het wel net dat dat je nodig hebt om het los te laten?”. Want loslaten dat is wat ik nog niet gedaan heb.. Het is nog steeds iets gevoelig. Uiteindelijk beslis ik toch om dit te typen..


20 juni. Ik had lekker gekookt, voor de mensen hier in huis. En vriendlief had de opdracht gekregen om te kijken of ik afgestudeerd was. “Gedelibereerd, wat betekent dat?” vroeg hij. Mijn geluk kon niet meer op! Mijn leven was eindelijk compleet. Ik had vast werk, we waren bezig aan het bouwen, we woonden samen, ik had ein-de-lijk mijn diploma. Ook zus had het voor elkaar. Vast werk, een eigen auto, een goed vriendje.. Ik wou mijn diploma graag vieren, dus zijn vriendlief, zus, mama en papa, en ik iets gaan drinken. Ik weet nog dat zus haar een dame blanche vroeg.. Daar was ze enorm zot van, een dame blanche van ’t Oud Brughuys, zonder slagroom! Genoten heb ik die avond. En ja, ik liep op wolkjes..

De week erna werd zus ziek. Een infectie op de luchtwegen, ze kon niet werken. Het bleef maar aanslepen.. Regelmatig terug naar de dokter, steeds nieuwe diagnoses, maar wel telkens infecties. In mijn roes van mijn diploma had ik er niet enorm veel oog voor. Ik zag wel dat ze ziek was, maar ze zou wel genezen.

30 juni, maandag. De telefoon ging, ik zat in bad. Of er iemand zus kon ophalen op haar werk. Ze had geprobeerd te gaan werken, maar het ging echt niet. Ik zei “ik zal ze wel halen, dan kan jij je gewone gang gaan met de kids”. Zo gezegd, zo gedaan. ’s Avonds had ze een afspraak met de dokter. Alweer. Die vond dat nu toch maar iets eigenaardig, en wou dat ze de dag erop allerlei onderzoeken liet doen. Hij wilde meer zekerheid.

Dinsdag. Berichtje van zus. “Ik wil niet dat je iets tegen je vriendje zegt want ik wil niet dat hij commentaar heeft op mij, maar de dokter is quasi zeker dat ik klierkoorts heb. Hij heeft mijn bloed genomen, en morgen mag ik bellen.” Klierkoorts? Dat is niet zo erg. Broer had het eerder gehad, en die is even niet kunnen gaan werken, maar verder…

Woensdagmorgen. Grote paniek! Mama: “de dokter belde, zus moet naar spoed”. Huh? Spoed? Iets met haar witte bloedcellen. Grote zus probeerde zich sterk te houden, vertelde wat flauwe mopjes, maar hoopte vooral dat jonge zus niet merkte hoe ongerust ik eigenlijk was. ’s Middags moest ik werken, Ik maakte met mama de afspraak dat ze zou bellen als ze meer wist. Op het werk bracht ik ook enkele mensen op de hoogte, bijlange niet iedereen. 1 uurtje stond ik kassa, en halverwege dat uur kreeg ik telefoon. “Joke is op weg naar Gent, in Dendermonde hebben ze haar doorverwezen naar het UZ”. Ik kan je verzekeren: je hart staat stil op die moment. Ik heb me verontschuldigd bij de mensen die ik aan het helpen was, en hen verteld dat ik niet zo goed nieuws gekregen had. De rest van de dag heb ik mijn ongerustheid de baas proberen zijn..

De rest van de week herinner ik me vooral tests, op kanker, op andere dingen, Ook belde de huisarts om te melden dat het effectief om klierkoorts ging. Daar waren ze in het UZ ook al achter, maar ze wilden niets over het hoofd zien. Aangezien haar witte bloedcellen veel te laag stonden, en ze daardoor extreem vatbaar was voor nieuwe infecties, en ik met klanten werk, besloot ik om nog wat te wachten eer ik op bezoek ging.

Tot dinsdag 8 juli. Het was een hele belevenis. Ik ging op bezoek bij mijn zus!!! Ik had haar wat pyjama’s van Snoopy gekocht, ik had wat loombands, want dat kwam toen net op. Boekjes wou ze ook graag hebben, dus dat nam ik haar ook mee. Ze zag er in mijn ogen goed uit. Zoals zij rondliep met haar papegaaienstok, dat was geweldig komisch! Die dag zou de dokter komen zei de verpleging. Nu ja, in een ziekenhuis kan je dat verwachten, en toch had iedereen wat schrik voor het nieuws.. De dokter heb ik niet meer gezien, ik ben eerder naar huis gegaan. Min of meer opgelucht en met het gevoel dat ze snel terug thuis zou zijn.. Nooit gedacht dat ik me zo zou vergissen… ’s Avonds kwamen onze ouders thuis, en die zeiden dat de dokters nog een biopte van haar lever wouden doen, en een klier wegnemen om te testen of het toch niet erger was dan klierkoorts.. Dat zijn maar testen voor zekerheden, dacht ik.

Woensdag 9 juli. Ik trek de deur van het werk dicht, en iemand vraagt me hoe het gaat. Ik kan niet meer antwoorden, de tranen stromen over mijn wangen. Waarom toch? De persoon komt met me praten, ik vertel alles. Dat ik hoop dat het niet erg is, dat ik ze graag snel terug thuis wil.. Maar dat ik ook zeker wil werken, en me even op het werk concentreren, zonder aan een ziekenhuis te moeten denken.  “Als we iets kunnen doen, moet je het maar zeggen.” Ik kon zelfs niets doen aan dat ellendige gevoel, tenslotte was er geen, geen échte reden waarom. Ik ga pauzeren, en ik heb een sms van mama “niet schrikken, ik ben al bij zus, ze hebben me opgebeld”. Ik maakte me niet echt zorgen. Zus was in goede handen, en mama was bij haar… Wat kon er foutgaan?

’s Avonds kwam broer binnen, met vrouw en kids. De telefoon ging, onze grootmoeder. “Weten jullie al iets van zus?” waarop ik antwoordde: “Nee, maar ik verwacht mama en papa snel terug thuis, anders komen jullie eens af, dat praat makkelijker?” Mijn grootvader had eerst geen zin, maar kwam uiteindelijk toch mee.. Het was een gezellige avond, met koffieklets, een chocolaatje.. Ja, ondanks dat we op nieuws wachtten, maakten we er het beste van.. Toen hoorden we de poort opengaan.. Spannend! Mama kwam als eerste boven, met heel veel spullen. Vervolgens kwam papa boven. Mama zei: “goed dat iedereen hier is”. Ik vroeg waarom ze zoveel meehadden. Waarom ze Joke haar laptop mee hadden. “Mag ze niet meer op de laptop?” vroeg ik. “Ze KAN niet meer op de laptop”.Woorden die ik nooit meer ga vergeten. Zus had die dag paniekaanvallen gehad, en ze hadden haar in een kunstmatige slaap gedaan, ze lag op intensieve zorgen. Ook wisten ze op die moment te zeggen het zeer ernstig was met haar, ze had 50% overlevingskans. Het enige wat mij konden doen was hopen dat ze geen hersenbloeding of iets dergelijke kreeg, dat haar organen zouden blijven werken, … want anders zou het slecht aflopen..
Wat volgde was een avond en nacht met veel tranen, innerlijke boodschappen naar zus dat ze echt niet mocht opgeven, en een heel diepgaand gesprek met vriendlief. De dag erna heb ik, denk ik, het zwaarste gesprek ooit gevoerd op het werk. Ik moest zekerheid hebben over wat er allemaal kon. Ik ging de week erna in verlof en ik wou er ook zijn voor haar als ze me nodig had.. Ik wou haar bezoeken, ik wou ook bij slecht nieuws direct naar haar kunnen, … Ik heb begripvolle reacties gekregen, kassawerk moest ik niet doen als ik me er niet goed bij voelde, uren werden geschrapt, …

De dagen erna waren vol onzekerheid. Het ziekenhuis zou  bellen als haar toestand verslechterde, zelf mochten we ook wel bellen. Mama deed dit ’s morgens bij het opstaan, zo wisten we hoe ze geslapen had. Op donderdag zijn mama, papa, broer en ik naar haar gegaan. Als bij wonder was ze wakker. Ik zou kunnen proberen beschrijven hoe ik me toen voelde, maar dat gaat niet. Er was een enorme blijdschap, ook al was de ernst niet verminderd, ze was toch weer meer bereikbaar voor ons. De dokters wisten ons te vertellen dat ze alles deden wat ze konden om haar te redden. Het zou wel even duren voor ze wisten of de medicatie aansloeg. Wat waren dat bange dagen..
Eens de medicatie begon aan te slaan, werd ze geleidelijk aan beter. Kan je je voorstellen dat we enorm blij waren toen ze eindelijk eens in de zetel kon zitten? Dat we door het dolle heen waren toen ze naar een gewone kamer mocht? Dat we superblij waren dat ze ons iets kon zeggen?

Op 8 september mocht ze dan eindelijk naar huis komen, en nu, maanden later, mag ze van de specialist nog steeds niet werken, want dat zijn te veel risico’s in de winter, maar ze mag alles doen wat ze wilt. Of ze het syndroom dat voor een tekort aan witte bloedcellen zorgt, ooit terugkrijgt, weet niemand..

Ik ben zo dankbaar dat we ze nog bij ons hebben!